Serviam +
WET TOT VERBETERING VAN DE WERKGELEGENHEID VOERT O.A. INDEXSPRONG IN
pdf




 In het Belgisch Staatsblad van 27 april 2015 werd de Wet tot verbetering van de werkgelegenheid gepubliceerd. Dit is een soort van verzamelwet die diverse punten regelt, waarvan de meest besproken wellicht de indexsprong is. De belangrijkste bepalingen van deze wet kan u hieronder terugvinden.

 

1.    Indexsprong

Alvorens het principe van de indexsprong uit te leggen, lijkt het ons nuttig om eerst enkele begrippen te verduidelijken. Vanaf april 2015 zal er immers met vier verschillende indexcijfers gewerkt worden:

-       de index van de consumptieprijzen;

-       de gezondheidsindex: dit is een maandelijks indexcijfer dat gebaseerd is op het indexcijfer van de consumptieprijzen, maar dat geen rekening houdt met een aantal producten zoals alcoholische dranken, tabakswaren, motorbrandstoffen,… ;

-       de afgevlakte gezondheidsindex: dit is ook een maandelijks indexcijfer dat gelijk is aan het gemiddelde van de gezondheidsindexcijfers van de laatste vier maanden;

-       de referentie-index: dit is ook een maandelijks indexcijfer dat gelijk is aan het afgevlakte gezondheidsindexcijfer verminderd met 2%.

 

Het laatste indexcijfer is nieuw en werd ingevoerd om te kunnen bepalen wanneer de indexsprong van 2% bereikt wordt. Vanaf april 2015 zal de afgevlakte gezondheidsindex immers geblokkeerd worden op het niveau van maart 2015, zijnde 100,66. Alle lonen, wedden, sociale uitkeringen, toelagen, premies en vergoedingen die een indexmechanisme volgen, zullen bovendien rekening moeten houden met deze geblokkeerde afgevlakte gezondheidsindex. De referentie-index zal wel maandelijks berekend blijven worden door de afgevlakte gezondheidsindex, die zonder de blokkering had kunnen berekend worden, te verminderen met 2%. Van zodra deze referentie-index de geblokkeerde afgevlakte gezondheidsindex (100,66) overschrijdt, houdt de blokkering op. Op dat moment is de indexsprong van 2% bereikt.

 

Na de blokkeringsperiode zal de referentie-index ophouden te bestaan. De afgevlakte gezondheidsindex zal vanaf dan gelijk zijn aan de referentie-index. Dit om te vermijden dat de overgeslagen indexeringen ingehaald zouden worden.

 

Maar hoe moet deze indexsprong nu praktisch toegepast worden? De sectoren die in een indexmechanisme voorzien, zullen gewoon hun indexformule moet blijven toepassen op de tijdstippen die voorzien zijn door dit mechanisme. Ze zullen in hun berekening wel rekening moeten houden met de geblokkeerde afgevlakte gezondheidsindex. Deze berekening kan leiden tot drie resultaten:

-       geen indexering: in dat geval zal er geen indexering mogen toegepast worden;

-       een negatieve indexering: ook een negatieve indexering mag niet toegepast worden. De wet bepaalt immers dat de indexsprong geen loonsvermindering tot gevolg mag hebben;

-       een positieve indexering: het is mogelijk dat de berekening met de geblokkeerde afgevlakte gezondheidsindex toch nog leidt tot een positief resultaat. In dat geval mag de positieve index gewoon toegepast worden.

 

Hieruit kunnen we afleiden dat voor de sectoren die de spilindex volgen er gedurende de blokkeringsperiode geen enkele indexering kan plaatsvinden en dat er ook effectief een indexsprong van 2% zal plaatsvinden. Voor de andere sectoren is het nog even afwachten om na te kunnen gaan wat de werkelijke impact zal zijn van de indexsprong.

 

Wij willen bij dit alles nog even opmerken dat de vakbonden beslist hebben om de indexsprong aan te vechten bij het Grondwettelijk Hof omdat deze in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel. Zolang hier geen uitspraak over is, moet de indexsprong wel toegepast worden.

 

2.    Opleidingsinspanningen

De privésector heeft de verplichting om jaarlijks 1,9% van de totale loonmassa te investeren in opleidingen. Wanneer deze drempel niet behaald wordt, kan er op sectorniveau gesanctioneerd worden. Elke sector is immers verplicht om een cao af te sluiten die voorziet in een verhoging van de opleidingsinspanningen van 0,1% per jaar. Wanneer hierover in een sector geen cao is afgesloten, moet er een bijkomende werkgeversbijdrage van 0,05% betaald worden.

 

Dit systeem stuitte op veel tegenkanting. Of een sector een bijkomende werkgeversbijdrage moet betalen, is immers enkel afhankelijk van de vermelde opleidingsinspanningen in de cao en niet van de werkelijke opleidingsinspanningen. Het is dus mogelijk dat een sector die een correct opgestelde cao afsluit, maar in werkelijkheid niets doet, geen bijkomende werkgeversbijdrage moet betalen. Het omgekeerde kan ook: een sector die geen cao heeft afgesloten, maar toch voldoende inspanningen levert, zal een bijkomende werkgeversbijdrage moeten betalen. Ook een individuele werkgever die voldoende opleidingsinspanningen levert, maar behoort tot een sector zonder cao, zal gestraft worden. Het Grondwettelijk Hof heeft onlangs dan ook geoordeeld dat dit geen correct systeem is.

 

Daarom worden nu, door middel van de Wet tot verbetering van de werkgelegenheid, bovenstaande bepalingen opgeschort voor de jaren 2015 en 2016, namelijk:

-       de verplichting voor de sectoren om een cao over bijkomende opleidingsinspanningen te sluiten wordt opgeschort voor de jaren 2015 en 2016;

-       de bijkomende werkgeversbijdrage van 0,05% mag niet worden toegepast voor de opleidingsinspanningen die betrekking hebben op de jaren 2012, 2013 en 2014 en wordt opgeschort voor de jaren 2015 en 2016.

 

Verder heeft de wetgever wel uitdrukkelijk bepaald dat het percentage van de opleidingsinspanningen dat werd bereikt in de periode 2013-2014 dient behouden te blijven gedurende de periode van de opschorting.

 

3.    Welvaartsvastheid

Het loonplafond dat in aanmerking genomen kan worden voor de berekening van de vergoeding voor arbeidsongevallen wordt vanaf 1 januari 2016 met 1,25% verhoogd. Hiertoe wordt het loonplafond op 35.369,49 euro gebracht.

 

Er zal ook een verlaging van de sociale bijdrage na pensionering komen voor de gerechtigden op een rente voor een arbeidsongeval of een beroepsziekte.

 

4.    Ontslagcompensatievergoeding

In de Wet tot verbetering van de werkgelegenheid wordt verder nog een hiaat in de wetgeving omtrent de ontslagcompensatievergoeding weggewerkt. Deze kan nu ook ontvangen worden door werknemers die op 31 december 2013 arbeider waren en nadien bediende zijn geworden.

 

5.    Bijdrage jaarlijkse vakantie

In één van onze vorige nieuwsberichten lieten we reeds weten dat het bedrag van de kwartaalbijdrage voor het vakantiegeld van arbeiders verlaagd zal worden. De jaarbijdrage van 10,27% blijft ongewijzigd.

 

Uiteraard moet dit verlies van inkomsten ergens gecompenseerd worden. Er wordt nu bepaald dat dit bedrag elk jaar zal ingehouden worden van de financiële middelen van het Globaal Beheer en overgedragen zal worden aan de vakantiefondsen. Het bedrag en de wijze van betaling van deze tegemoetkoming moeten wel nog vastgelegd worden in een uitvoeringsbesluit.

 

6.    Carensdag

In het kader van het eenheidsstatuut werd de carensdag afgeschaft. Nu werd ook de ziekteverzekeringswetgeving hieraan aangepast.

 

7.    Zaterdagwerk in de bouwsector

In de bouwsector mag er gedurende maximaal 64 uren per kalenderjaar per arbeider op zaterdag gewerkt worden in de volgende gevallen:

-       werken die op geen enkel ander ogenblik kunnen uitgevoerd worden;

-       werken waarbij de gelijktijdige uitvoering van bouwactiviteiten en andere activiteiten op dezelfde plaats risico’s inhoudt voor de veiligheid en/of gezondheid van de werknemers of derden;

-       werken die om technische redenen niet combineerbaar zijn met andere activiteiten.

 

Deze grens wordt nu vanaf 27 april 2015 opgetrokken tot 96 uren per kalenderjaar.

 

8.    Loonkloof tussen mannen en vrouwen

De functieclassificatie die een sector toepast moet genderneutraal zijn volgens de loonkloofwet. Het is de opdracht van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg om dit te controleren. Oorspronkelijk werd bepaald dat de FOD WASO alle functieclassificaties diende na te kijken voor 31 december 2014. Deze deadline werd niet gehaald, waardoor nu de deadline verschoven werd naar 30 april 2015.

 

Bron: Wet van 23 april 2015 tot verbetering van de werkgelegenheid, B.S. 27 april 2015.